Empathie – de zin en onzin

Over empathie bij autisme is veel te zeggen, en is veel gezegd.

Er doet een mythe de ronde dat mensen met autisme geen empathie zouden hebben. Dit lijkt loodrecht te staan op het feit dat mensen met autisme over het algemeen bijzonder gevoelig zijn. Voor aanrakingen, geuren, geluiden. En voor sferen, voor hoe iemand anders zich voelt. Hoe kan het dat een groep mensen die zo gevoelig is voor de gevoelens van anderen toch te boek staat als ‘ongevoelig’ voor anderen?

Eén van de duidelijkste boeken die ik hierover heb gelezen is van Simon Baron-Cohen, het boek nul-empathie. In een wetenschappelijke verhandeling over empathie worden de verschillende soorten empathie uit de doeken gedaan. Een grote uitdaging waar wetenschappers tegenaan lopen is… dat mensen met autisme:

  1. Moeite hebben om andere mensen te ‘lezen’, om het standpunt van de ander in te zien, om sowieso te weten dat de ander een ander standpunt heeft, of een hele andere denkwijze, met andere normen en waarden. Dit heet ‘cognitieve empathie’.
  2. Geen moeite hoeven te hebben met het meevoelen met een ander. Sterker nog, er zijn mensen met autisme die zo goed kunnen meevoelen met een ander, dat ze er zelf van slag van raken, wanneer een ander iets overkomt. Aan meevoelen hoeft bij autisme absoluut geen gebrek te zijn. Dit heet ‘affectieve empathie’.

Er wordt vaak gezegd dat autisten geen empathie hebben/kennen. Dit is niet waar. Of in ieder geval niet helemaal waar. Het niet weten dat iemand zelf het laatste beetje vla wil als hij aan het eind van de maaltijd vraagt ‘jij wil geen vla meer?’, betekent niet dat ik niets voel als iemand vertelt dat hij met zijn vinger tussen de deur is gekomen. Zeker wanneer ik de persoon graag mag en hij dat een beetje beeldend vertelt, kan ik met groot gemak dezelfde pijn voelen…

In het voorbeeld laat Baron Cohen één Bell-curve zien. Omdat voor cognitieve empathie en voor affectieve empathie verschillende testen bestaan, en je ze allebei kan hebben of één van beide of allebei niet, gok ik dat het twee Bell curves zijn. Dat verklaart waarom sommige mensen met autisme een tekort hebben aan affectieve empathie, terwijl anderen er een teveel aan lijken te hebben.
Even een voorbeeld uit één en dezelfde vergadering op mijn werk:

Volkomen gebrek aan cognitieve empathie:

A is aan het woord. Dan stopt hij met praten (denk ik) en zeg ik wat. Waarop B mij onderbreekt met ‘laat A nou even uitspreken’. En ik ‘maar hij stopte toch met praten?’ (alom gelach) B: ‘ja, om te ademen’. Dat dus, niet weten wanneer je kan praten, dat is cognitieve empathie.

Overschot aan affectieve empathie:

C vertelt een verhaal, geëmotioneerd. Waarbij ik de lucht bijna letterlijk voel kraken langs mijn huid. Dat (soms extreem) goed aanvoelen van mensen (wiens je gezicht niet kan lezen) is affectieve empathie. En daar heb ik heeeeel veeeel van. Daarom ben ik zo’n goede moeder. Bij mijn kinderen kan ik heel goed troosten. Bij anderen ben ik daar wat onhandig in, maar er zijn vele manieren van om dan toch iemand te steunen of te helpen. Dat kan ik wel goed, bij de andere mensen die dichtbij staan.

Lees hier meer over autisme en empathie: afrekenen met de vooroordelen

Wat doe je er aan?

Het aanleren van sociale vaardigheden kost onevenredig veel tijd en energie

Er zijn mensen die ervan uitgaan dat autisten kunnen leren om beter te worden in cognitieve empathie. Dat het geven van een grote hoeveelheid sociale vaardigheidstrainingen een verbetering kan brengen in de cognitieve empathische vaardigheden. Ik denk dat dat niet kan. Net zoals ik de meeste gezichten niet na één ontmoeting kan onthouden, kan ik bijvoorbeeld niet zien wanneer iemand is uitgesproken. Of misschien dat het wel kan, wanneer het je fiep wordt en je er oneindig veel energie in steekt. In ieder geval ligt volgens mij niet de oplossing in deze richting.

Het liefst wil ik dat iemand uit mijn omgeving mij helpt bij sociale interacties

Wat wel kan, dat geldt vooral voor degenen die goed zijn in patroonherkenning, is bewust leren waar je wel op kan letten. Stopwoorden, zinsbuigingen, etc. Dan nog zit ik er vaak naast. Het tweede wat ik kan doen, is de gevolgen beperken. Ik kan met mijn omgeving een teken afspreken voor als ik iets wil zeggen, of mijn omgeving vragen mij af te breken als het gebeurt. Ik kan met mijn omgeving afspreken dat ze mij corrigeren wanneer ik een misrekening maak. Dat laatste vergt vertrouwen, wederzijds. Het is wel wat ik het prettigst vind. Wanneer iemand anders in ieders bijzijn zegt dat ik iemand in de rede val, dan krijg ik de kans om sorry te zeggen. De kans om op het moment zelf mijn fout te herstellen. En dat is mij veel waard.

Het is als met een blinde, die kan braille leren, een hulphond nemen, etc., zodat ze zich goed kan redden. Maar leren zien kan niet. Wanneer ik naar een gesprek van anderen kijk/luister, kan ik je precies vertellen wie wanneer is uitgesproken. Dat is rationeel/patroonherkenning, zeg maar het braille lezen. Dat kan ik goed. Wanneer ik zelf deel uit maak van het gesprek maak ik er geregeld een soepzooi van. En geen cursus of tip die hierbij helpt. Dan heb ik mijn omgeving nodig om me hierbij te helpen. Zeg maar de hulphond (in de vorm van partner, vriendin of collega).

Het probleem is de waarneming. En die is zo lastig te veranderen

Met braille en hulphond ben ik niet van mijn probleem af, maar kan ik net zo goed functioneren als ieder ander. Het probleem is niet de interpretatie of het begrip. Het probleem is de waarneming. Een hele andere vergelijking: het is als een kleurenblinde bij een stoplicht. Hij ziet geen rood, maar heeft geleerd: bovenste licht betekent rood. Dat gaat goed, totdat ’s avonds de straatverlichting aan is, en hij niet snel kan filteren welke paal van de verlichting is en welke het stoplicht. Als er teveel informatie is, komt de waarneming niet goed binnen, en kan je hem niet interpreteren, want er valt niets te interpreteren. Er zijn teveel lichten, zeg maar. Zo is het met cognitieve empathie: om te weten hoe iets voor een ander is, is het van belang snel de juiste informatie daarvoor te kunnen filteren. Bij autisme zit daar het euvel.

 

Meer lezen over empathie:

Theory of Mind (ToM) – Baron Cohen

Theory of Mind (ToM) – Baron Cohen (1985)

Weten wat een ander denkt Theory of Mind, of Mindblindness, is een concept dat mede is uitgewerkt door Simon Baron Cohen. In het kort komt het er op neer, dat je je kan inbeelden hoe iets voor een ander is. Bij een slechte ToM is het lastig in te schatten wat de ander bedoelt, en […]

Filed under: