Fragmentarisch waarnemen bij autisme

autisme fragmentarisch waarnemen

Je kijkt met je neus… fragmentarisch waarnemen

Dat is vermoedelijk de zin die ik in mijn jeugd het meest gehoord heb. Neem een la vol servetringen, pasjes, onderzetters, ovenwanten, en sleuteltjes. En mijn sleutel ligt daar tussen. Een autist ziet alles: de vlekken op de ovenwanten, de patronen op de pasjes, de tierelantijntjes op de servetringen (inclusief de beestenvormen van de vlekken op de servetten), alles. Dat heet detailwaarneming. Maar doordat we dat allemaal zien… zien we dus niet gelijk waar ons fietssleuteltje ligt, als het niet precies daar ligt waar we het verwachten. Een ander woord voor detailwaarneming is fragmentarisch waarnemen.

Hoe vervelend is het, wanneer iemand mijn sleuteltjes vijf centimeter naar rechts heeft verschoven, waardoor ik ze niet meer kan vinden? Het extra zoeken kost behalve tijd en energie meestal een lichte vorm van paniek. Niet in staat zijn om het geheel te overzien, betekent doorgaans niet in staat zijn om op dat moment de gevolgen te overzien van het weg zijn van de sleutels. Er even geen oplossingen voor hebben. Zelfs wanneer ik de oplossingen op een rustig moment met dozijnen tegelijk kan bedenken, of wanneer ik de oplossingen weet voor het onderhavige probleem, volgt er meestal toch eerst een schrikreactie.

Fragmentarisch waarnemen kan leiden tot overprikkeling en een meltdown

In vroeger tijden kon een dergelijk incident uitmonden in een driftbui. Wanneer de extra zoektijd en –energie leidden tot overprikkeling (visuele overprikkeling, overprikkeling door gedachten, overprikkeling op de tastzin, auditieve overprikkeling door het gerinkel van de servetringen), en het écht niet kunnen vinden leidde tot de nodige paniek, volgde op zulke momenten woede. Woede die de omgeving niet kon begrijpen. En er daarom op reageerde met verwijten of cynische opmerkingen, of een gelaten doordringend aankijken. Nog meer overprikkeling.

Op reactie van mijn boosheid kwam er daarna een moeder of andere volwassenen even ‘meezoeken’. Niet gehinderd door enige mate van fragmentarisch waarnemen viste deze persoon in no time de juiste sleutel uit de la. En verviel in één moeite door in volkomen onbegrip van mijn beperkte gave om goed te kijken en een zo mogelijk nog groter onbegrip voor de driftbui. De persoon in kwestie bagatelliseerde mijn eis om mijn spullen vooral niet te verschuiven als een onmogelijke eis van een verwend kind. En zo keek ik er destijds ook tegenaan: ik stelde onmogelijke eisen aan mijn omgeving, en ik vond dingen belangrijk die anderen bij lange na niet belangrijk vonden.

 

Spuit elf geeft ook nog modder… schakelmomenten

Fragmentarisch waarnemen en overgangsmomenten, een onmogelijk duo

Behalve dat ik met mijn neus schijn te kijken, en het overduidelijke niet zie, maar de bijzaken daarentegen niet aan mijn scherpe geestesoog ontsnappen, heb ik tijd nodig voor schakelmomenten. Tijd om even te wennen aan de overgang van het éne stadium naar het andere. En de combinatie van die twee leverde mij de andere zin op die ik eindeloos heb moeten aanhoren: ‘spuit 11 geeft ook nog modder’, uitgesproken op al die momenten dat ik achter de feiten aan huppelde.

Ik moest hier aan denken afgelopen Kerst, bij mijn ouders op de kerstbrunch. Op zich is de brunch redelijk auti-vriendelijk. Je mag zelf weten waar je gaat zitten, er staat een buffet, je mag zelf weten hoeveel je wanneer eet. Er is een mogelijkheid om je terug te trekken, om te lopen in de natuur. Er is kortom weinig te klagen. En ik kom er graag.

Tijdens de brunch staan mensen op (vooral de kinderen, die halverwege buiten gaan spelen), mensen wisselen van plek, iemand brengt halverwege zijn of haar bord naar de keuken om een nieuw bord te pakken. Iemand bedenkt halverwege dat het tijd is voor koffie, of niet. Er is niet een vaste structuur. En dit jaar overkwam me precies hetzelfde als vorig jaar, ik heb er een maand over na kunnen denken, en denk het nu te begrijpen.

De meeste van mijn schoonzussen zijn nogal neurotypisch. Leuke vrouwen, waar ik veel aan heb, veel bij af kijk, hoewel ze jonger zijn dan ik. Maar wel neurotypisch. Zij hebben gelijk door wat hints betekenen, wat mensen denken, en waarom de dingen gebeuren zoals ze gebeuren. Dat heb ik met nadruk niet.

Maak de situatie voorspelbaar en geef tijd om te wennen aan de overgang

Dus op een gegeven moment staan één of twee mensen op (voor de zoveelste keer, vandaar dat ik het niet eens registreer) en brengen wat spullen naar de keuken. Op dat moment ben ik nog bezig met het heroverwegen van het laatste gesprek dat ik heb gevoerd, met het bestuderen van de druippatronen op de kaarsen, van de vlekken op het tafelkleed of de vouwen in de servetten. Of ik kijk naar buiten om me af te vragen of de kinderen zich nog vermaken. Er wordt nog meer afgeruimd, er wordt begonnen met afwassen. Dan begint het besef tot mij door te dringen dat de brunch is afgelopen, en dat anderen bezig zijn met huishoudelijke taken.

Het is geen onwil

Ik had me nog zo voorgenomen om dit jaar te helpen. Maar ja, tussen dat ik het bedenk, en het kan uitvoeren, heb ik even tijd nodig om aan de nieuwe activiteit te wennen. Even rust te nemen, een korte toiletpauze, even kort de benen te strekken. En daarna biedt ik mij aan om te helpen. “Kan ik helpen?” vraag ik dan netjes. En op dat moment weet ik dat ze bijna klaar zijn. En dat er opmerkingen komen op het moment dat ik mijn vraag stel. Zoals er al mijn hele leven opmerkingen komen op dit soort momenten.

De combinatie van fragmentarisch waarnemen, waardoor ik blijkbaar niet door heb dat de maaltijd is afgelopen en er begonnen wordt met af- en opruimen, en het moeite hebben met schakelmomenten, waardoor ik niet abrupt van de maaltijd kan opspringen om te gaan afwassen, maar de aankondiging hiertoe even in vijf á tien minuten moet verwerken, maakt dat ik nogal eens achter de feiten aan loop. Het maakt dat anderen het vervelend vinden dat ik nooit help. Althans, niet op dit soort momenten. Terwijl ik best wil helpen. Maar daar wel de gelegenheid voor wil krijgen.

Wat belangrijk is voor mensen met autisme is structuur. Bij structuur, een vaste indeling van de maaltijd, een vast ritme, weet ik wanneer het voorgerecht is, het hoofdgerecht, en weet ik dat ongeveer vijf á tien minuten na het nagerecht het afruimen en de afwas begint. Dan kan ik best helpen met afruimen. Dat lukt me thuis en bij mijn schoonouders ook. Wanneer behalve de structuur iemand anders mij er aan helpt herinneren, even benoemt dat het tijd is om in actie te komen, dan hoef ik dat niet zelf af te lezen aan handelingen die voor anderen blijkbaar wel duidelijk zijn, maar door mij niet eens worden waargenomen.

Met rust en ruimte is fragmentarisch waarnemen geen enkel probleem

Wanneer mijn moeder vroeger thuis uitriep dat niemand zag wat zij deed, denk ik nu, achteraf, dat dat inderdaad zo was. Dat ik inderdaad niet opmerkte wat zij deed, of het in ieder geval niet registreerde in de grote hoeveelheid van details die ik wel registreerde. Gelukkig heb ik nu een diagnose, waardoor ik begrijp waar het mis gaat, en begrijp wat er nodig is om volgend jaar zéker wel te helpen. En gelukkig heb ik nu een paar hele lieve schoonzussen met een overdosis aan social skills, waardoor ik in staat word gesteld om stiekem de kunst af te kijken. Ik ga vragen of ze me volgend jaar willen helpen met tijdig aankondigen van de veranderingen. Dat willen ze vast.

 

Centrale coherentie – Frith

Centrale coherentie – Frith

Autisme en in actie komen

In actie komen

 

Filed under: